navigatiehulp >>

 
  De geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk te Laren
Tekst van de lezing, gehouden op 25 februari 2003 in de Herv.Kerk door de heer Aat C. Snaterse.
 
  Opbouw van de lezing
  1. Inleiding
  2. Ontstaan
  3. Naam
  4. Eigendom
  5. Het koor
  6. De restauratie van 1926
  7. De restauratie van 1995/96
  8. Het interieur
  9. Sint Jansbeeld
  10. Toren
  11. Carillon
  12. Begraafplaats en grafzerken
  13. Huidig gebruik van de kerk
  14. Tenslotte
   
  Opbouw van de lezing

Laat ik beginnen met te zeggen dat het makkelijker gezegd is dan gedaan, iets vertellen over de geschiedenis van deze kerk en zonder twijfel het oudste nog bestaande gebouw in Laren. Want er is heel veel onzeker en veel berust op veronderstellingen. U zult vanavond dus regelmatig worden geconfronteerd met verschillende invalshoeken en af en toe doe ik een keuze op grond van mijn interpretatie van verschillende verhalen. Maar de vraagtekens blijven staan.

De belangrijkste bronnen die ik heb geraadpleegd zijn de publicaties van dr. Enklaar en dr. de Vrankrijker over de geschiedenis van het Gooi, een artikel van MER. W. Eruptie over het dorp Laren, "Laren door de straten heen" van Geard Koekkoek en de belangwekkende publicatie van dors. Agens de Rijk over laatmiddeleeuwse heiligenbeelden uit het Gooi, welwillend ter beschikking gesteld door pastoor Vriend.

Mijn praatje is als volgt opgebouwd.

  • Ik begin met een korte schets van het Gooi in het begin van de 16e eeuw.
  • Dan probeer ik iets te ontwaren over het ontstaan van het kerkgebouw en vervolgens zeg ik wat over de naam.
  • Dan een kort stukje over het eigendom.
  • De volgende paragraaf gaat over het verdwijnen van het koor.
  • Vervolgens de belangrijke restauratie van 1926 en daaraan aansluitend kort iets over de restauratie van 1995/1996.
  • Wij bekijken wat het interieur van de kerk aan interessants te bieden heeft.
  • Vervolgens wil ik met u stilstaan bij het Sint Aanspeelt.
  • Een paar korte opmerkingen over de toren en het carillon.
  • Iets over een eventuele begraafplaats.
  • En ik eindig met kort iets te vertellen over het huidige gebruik van de kerk, waarna ik afsluit.

1. Inleiding.
Voor het begin van dit verhaal is het nodig een heel korte schets te geven van het Gooi in het begin van de zestiende eeuw. De hoofdstad van het Gooi was de stad Naarden, die ook een eigen kerk had, welke al in 900 wordt genoemd. Daarnaast had je de dorpen Hilversum, Laren, Blaricum en Huizen; Bussum was een buurtschap. In 1514 telde Naarden 500 zelfstandig wonende gezinnen, Huizen 120, Hilversum 90, Laren 65, Blaricum 40, Bussum 36, (bron: Enklaar).
In totaal 851 gezinnen, waarvan er 312 of bijna 40 % niet konden worden aangeslagen voor de belastingen.
De eerste conclusie kan dus zijn dat het Gooi, vergeleken met onze tijd, zeer dun bevolkt was en de tweede dat het beslist geen vetpot was.
Op de zogenoemde "Ronde kaart" van het Gooi, die wordt gedateerd omstreeks 1520 staan kerkjes, c.q. kapelletjes aangegeven in Hilversum, Huizen, Blaricum, Bussum en het Sint Janskerkhof.
De boerenbedoeninkjes lagen voornamelijk in de buurtschappen en enkele verspreid daarbuiten. Als je je dus een voorstelling moet maken van de ligging van dit kerkje aan de Coeswaarde in Laren moet je de huidige toestand vergeten en je meer richten op een van de prenten uit de 18e eeuw, waarbij je achter de kerk geen bebouwing ziet, maar uitsluitend akkers en heidegronden.
In 1521 was er in Laren een RK parochie en je kunt gerust stellen dat die parochie de gehele bevolking omvatte.

Toen in 1581 het kerkje overging naar de protestanten - toen nog veelal Gereformeerden genoemd - bleef Laren Rooms Katholiek. Men liet de mis bedienen in schuren van parochianen, want in 't openbaar mocht dat niet meer gebeuren. In 1760 kwam er - met medeweten van de overheid - een schuilkerk, waarvan een deel nog is terug te vinden op Smeekweg no 6.
Om u een idee te geven van het aantal protestanten in Laren geef ik enkele gegevens: in 1616 vertelde de rondtrekkende pater Johannes de Rijser dat er in Laren nauwelijks 6 gezinnen de Gereformeerde kerk bezochten.
Omstreeks 1850 woonden er 48 Hervormden in Laren en een bericht uit 1891 maakt gewag van 15 stemgerechtigde lidmaten en uitermate slecht bezochte kerkdiensten.
Pas toen het inwonertal van Laren sterk toenam door migratie nam ook het aantal protestanten toe. In 1960 waren er 2500 Hervormden, 400 Gereformeerden, 100 Doopsgezinden, 100 Remonstranten en 100 Ev. Luthersen, in totaal dus 3200 protestanten. Het aantal RK inwoners bedroeg 7000.

>>> terug

2. Ontstaan.
Op de in mijn openingszin genoemde onzekerheden is er gelukkig één uitzondering: de ingewijdingsdatum van de kerk is bekend: 1521, want dat is vermeld op de balk in de triomfboog, nu recht boven de preekstoel. Daar staat: "Dies Lambertus 1521". Dus: "Ingewijd op Sint Lambertus 1521". En Sint Lambertus viel op 17 september.
Daaraan is toegevoegd: "Mr Lubbertus", met weer de datum 1521, dus weten we ook wie de kerk heeft gebouwd. De algemene gedachte is dat Lubbertus een streekgebonden bouwer was, die opdracht kreeg een eenvoudig kerkje te bouwen. Daarin is hij uitstekend geslaagd: het is een eenvoudig zaalkerkje met kenmerken uit de late gotiek, zoals de vorm van de ramen en de dakhelling. De toren draagt ook duidelijke laat gotische kenmerken en is markant; de achthoekige vorm van de klokkenverdieping komt niet zo heel veel voor in Nederland.

Er is tijdens de bouw wel iets mis gegaan. Zoals u ook hierbinnen kunt zien staat het zuidoostelijk deel van de zuidelijke muur duidelijk scheef en omdat de opvallende kenmerken van een later verzakkende muur ontbreken - het afscheuren van de aansluitende muren bijvoorbeeld - moet dit tijdens de bouw al zijn gebeurd, doordat de muur niet goed is gefundeerd. Wellicht lag er net op die plek een greppel of slootje, dat niet goed is dichtgegooid en aangestampt. Men zag ook geen kans de muur weer in 't lood te brengen en de rest van de constructie, waaronder het dak is aangepast aan het euvel. Goed gezien van de bouwers, want het muurstuk staat al bijna 500 jaar onwrikbaar scheef.

Onzeker is de vraag waarom het kerkje werd gebouwd. Uit betrouwbare bron - de dichter Hooft, die resideerde op het Muiderslot en vanaf 1609 ook baljuw van Gooiland was - weten we dat er tot 1586 op het Sint Janskerkhof een aan Sint Jan gewijde kerk heeft gestaan, die op last van de Staten van Holland is gesloopt, omdat het tot een soort rovershol was geworden van ongeregelde bendes. Uit andere verhalen blijkt dat het hier ging om een verdraaiing van feiten. De voorganger van Hooft wilde af van het stiekem bedienen van de mis en de St. Jansprocessie.
Deze kerk op één van de hoogste punten van het Gooi was aanvankelijk, buiten Naarden, de enige kerk in de wijde omtrek; van heinde en ver kwam men hier naartoe, getuige ook de vele wegen die op dat punt uitkwamen en die, door de aanwezigheid van het kerkhof, ook wel doodwegen werden genoemd.
De vraag is nu waarom in 1521 werd besloten een nieuwe kerk te bouwen in Laren, terwijl men toch al een eigen kerk bezat. Het zou te maken kunnen hebben met de afsplitsing van kerkelijk Hilversum in 1416, waarbij de Hilversumse kapel werd gepromoveerd tot parochiekerk. En het kan zijn dat de overgebleven Larense parochie - Blaricum was al omstreeks 1382 zelfstandig geworden en Huizen in 1409 - behoefte had aan een kerk in het dorp.
Hoe het zij: Hooft vermeldt in zijn brieven dat er in het dorp een "zeer schoon capelle" stond, waarmee de bewoners zich na de afbraak van de kerk op het Sint Janskerkhof moesten "behelpen". Hier is dus de vraag of de uitdrukking "schoon capelle" letterlijk moet worden genomen en er slechts een kapel stond, of dat er toch sprake moet zijn van een echte kerk.

Mr W.G.M. Cerutti, die in een speciaal Laren-nummer van "Tussen Vecht en Eem" in 1980 een artikel aan ons dorp wijdt, veronderstelt dat er eerst een kapelletje heeft gestaan, dat pas na 1618 tot een echte kerk is verbouwd. Immers dezelfde Hooft meldt in 1618 dat de kapel tot een ruïne is vervallen en verzoekt de Staten van Holland het gebouw op hun kosten te restaureren, wat inderdaad ook is gebeurd. In de toren, nabij het deurtje naar de trans, is in een balk een inscriptie met het jaartal 1618 te zien, hetgeen zou kunnen slaan op deze restauratie.

De "Larenkenner" Gerard Koekkoek vertelt in zijn boek "Laren door de straten heen" dat het inderdaad om een kapel ging, die echter in 1521 al is verbouwd tot parochiekerk. Echter zonder de bron te noemen, waar hij die wetenschap vandaan heeft gehaald.
Beiden hebben dan het boek "Naerdincklant" van dr. A.C.J. de Vrankrijker, verschenen in 1947, genegeerd, die op blz. 135 e.v. schrijft, dat hij nergens een bewijs heeft gevonden dat er in het dorp Laren voor 1521 een kerkje of kapelletje heeft gestaan. Integendeel: op grond van de al genoemde "Ronde kaart van Gooiland" , concludeert de Vrankrijker dat er geen kerkje stond, want het komt op deze kaart niet voor en alle andere toen bestaande dorpskerken wel.

Hierbij sluit aardig aan een mondelinge overlevering, die bij sommige Laarders nog bekend is. Eerst de blote feiten.
In 1581 ging de kerk over in protestantse handen door toedoen van baljuw jhr. Willem van Zuylen van Nijeveld. Hij was de opvolger van de afgezette Rooms Katholieke Paulus van Loo en een vurig protestant; hij droeg de bijnaam "de beeldenstormer". Maar desondanks bleef verreweg het grootste deel van de Larense bevolking Rooms-katholiek.
Het verhaal gaat dat er in feite geen protestanten waren in Laren en dat het kerkje na de overname in 1581 niet werd gebruikt. Daardoor raakte het in verval en dat ging de katholieke bevolking zo ter harte dat zij het onderhoud maar weer op zich nam. Het gebrek aan onderhoud klopt overigens wel aardig met het verzoek van baljuw Hooft aan de Staten in 1618.
Er zijn dus drie versies denkbaar.
1. Er stond al een kapel in Laren die in 1521 is verbouwd tot parochiekerk.
2. Er is in 1521 een kapel gebouwd die in 1581 overging in Protestantse handen en in 1618 wegens bouwvalligheid is gerestaureerd.
3. Er is in 1521 een parochiekerk gebouwd, die in 1581 overging in Protestantse handen en in 1618 wegens bouwvalligheid is gerestaureerd.
Op grond van de studie van dr de Vrankrijker kies ik voor de derde variant: het kerkje is in 1521 nieuw gebouwd, ging in 1581 over in protestantse handen en werd in 1618 gerestaureerd wegens bouwvalligheid door gebrek aan onderhoud. Je kunt je hierbij heel goed voorstellen dat de Laarders de afstand van hun dorp tot het kerkhof toch wel wat groot vonden en liever een kerk in het dorp zelf bezaten. Het zou, gezien de ouderdom van het kerkje op het kerkhof, best wel eens kunnen zijn dat de bouwkundige staat te wensen overliet en men voor de keus stond: restaureren of nieuw bouwen in het dorp. Het is denk ik niet gewaagd te veronderstellen dat de kerk in het dorp dienst deed als parochiekerk en die op het kerkhof werd gebruikt bij begrafenissen en tijdens de Sint Jansprocessie.
Doorredenerend kom je dan vanzelf tot de conclusie dat het nieuwe kerkje in het dorp wederom gewijd werd een Johannes de Doper. En daarmee komen we aan bij het volgende vraagstuk.

>>> terug

3. De naam.
Ik heb een aantal beschrijvingen gevonden, waarin specifiek wordt gemeld dat het kerkje is gewijd aan Johannes de Doper en het zal mij niet verbazen als die hun oorsprong vinden in het door Wagenaar op schrift gestelde "Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden" en wel het achtste deel uit 1750, waarin Laren wordt beschreven. Over de kerk zegt Wagenaar: "De kerk van Laaren heeft wel eer gestaan omtrent of ter plaatse daar nu het Laarder Kerkhof gevonden wordt, dat noch het St. Janskerkhof heet, gelyk de Kerk aan Joannes den Dooper was toegewijd: doch naardien de Huisluiden in de Spaanse beroerten niet magtig waren om deeze Kerk vrij te houden van 't geboefte, dat er zich dikwijls legerde en versterkte, werd zy, op last van 's Lands Staaten, afgebroken, en de Ingezetenen beholpen zig met de Kapelle, die in het dorp stond en welke de tegenwoordige kerk is.
U hoort het, het laatste stuk is bekend uit de brieven van Hooft. Maar kennelijk heeft de schrijver in het dorp vernomen hoe de kerk wordt genoemd en dan blijkt men 200 jaar na de wijding toch nog de naam van Johannes de Doper aan de kerk te verbinden. Jammer genoeg is deze naam bij de Protestanten in onbruik geraakt en de SOW-gemeente heeft de zaak er niet beter op gemaakt door de kerk Naarderstraatkerk te noemen, onpersoonlijker kan het niet voor een kerk die zo'n belangrijke plaats heeft in het dorpsleven en met zo'n bewogen ontstaansgeschiedenis.

Persoonlijk ben ik dan ook van mening dat deze kerk een mooie naam moet krijgen en wat ligt er nu meer voor de hand dan de naam "Johanneskerk", een naam die zij ongetwijfeld zou hebben gehouden als de geschiedenis in de 16e eeuw een andere wending had genomen. Daarnaast heeft zich in de kerk en later in de toren eeuwenlang een houten beeld bevonden - waarover straks meer- dat hoogstwaarschijnlijk Johannes de Evangelist voorstelt, dus dat is een tweede reden om te kiezen voor de naam "Johanneskerk".
Inmiddels heeft de kerkenraad van de Samen-op-weggemeente in 2003 besloten de kerk voortaan Johanneskerk te noemen.

>>> terug

4. Eigendom.
Er is een moment geweest in de geschiedenis, dat de kerk overgedragen had kunnen worden aan de oorspronkelijke eigenaren en dat was in 1798 , tijdens de Franse tijd. De Constitutie van 1798 verkondigde de gelijkheid ook ten opzichte van de kerkgenootschappen. Vanaf dat moment was de Hervormde Kerk dus geen staatskerk meer, de staat zou alle geestelijken gelijkelijk bezoldigden en binnen zes maanden moest elke plaats een regeling treffen over het bezit van de kerken en kerkelijke goederen. Dat is op een ontzettende manier getraineerd en de Vrankrijker vermeldt dat er alleen in Naarden op basis van vrijwilligheid een regeling werd getroffen waarbij de parochie een passende vergoeding kreeg voor de kerk die in protestantse handen bleef. In Bussum bleef het kapelletje Rooms Katholiek en het dorpsbestuur gaf 200 gulden voor het onderhoud. Hoe dat in Laren is gegaan is helaas niet bekend; de kerk bleef Hervormd, maar of de Rooms Katholieke parochie ooit een passende vergoeding heeft gekregen? We weten het niet.

>>> terug

5. Het koor.
En dan de derde onzekerheid. Zoals in die tijd gebruikelijk werd de kerkruimte aan de oostzijde afgesloten door een koor. Dit koor is helaas afgebroken; wanneer en waarom is niet bekend. Wij kunnen met zekerheid aannemen dat het koor er in het begin van de 18e eeuw nog stond, getuige de overbekende anonieme prent, waarvan H. Spilman, die leefde van 1721 tot 1784, een prachtige ets heeft vervaardigd. Kerk en toren zijn weergegeven zoals wij ze nu ook nog kennen, dus mag je rustig aannemen dat ook het koor waarheidsgetrouw is weergegeven.
Over de sloop van het koor doen ook weer enkele verhalen de ronde en die hebben beide te maken met de Naarderstraat, die oostelijk langs de kerk loopt. De eerste versie zegt dat het koor in 1817 is afgebroken bij de aanleg van de straatweg Amsterdam - Amersfoort, die door de bebouwde kommen van Naarden, Laren en Eemnes liep. De tweede versie zegt dat dit is gebeurd bij de aanleg van de stoomtram in 1882. De tweede versie is zonder meer onjuist.

Het is namelijk bekend dat de kerk in 1844 ingrijpend is gerestaureerd. Toen werd het uiterlijk van de kerk veranderd in neo-classistische stijl door de muren te bepleisteren en te voorzien van schijnvoegen. Tevens werd de hoofdingang verplaatst naar de oostkant, waardoor deze aan de Naarderstraat kwam te liggen. Dat kon men doen omdat het koor al was verdwenen, of men heeft op dat moment het koor gesloopt, omdat het bouwvallig was.
Als wordt gekozen voor de eerste versie mag gerust worden aangenomen dat de aanleg van de straatweg, in of na 1817, die toen een bestraatte breedte kreeg van tussen de 3 en 5 meter, niet de enige aanleiding was om het koor te slopen. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de bouwkundige staat van het koor beide partijen - het kerkbestuur en de overheid - wel goed uitkwam. Het lijkt mij ondenkbaar dat je het koor van een kerk sloopt ter wille van een weg. Er zijn in de 19e eeuw in Nederland talloze wegen aangelegd, die met een boog om een kerk heen lopen.
Wil je niet al te stellig zijn dan kun je concluderen dat het koor is verdwenen tussen 1817 en 1844.
Bij de restauratie van 1844 werd de zij-ingang in de zuidelijke langsgevel, die duidelijk te zien is op de ets van Spilman, afgebroken, waarbij de deuropening werd dichtgemetseld.

>>> terug

6. De restauratie van 1926.
In 1926 vond er opnieuw een grote restauratie plaats. De grijswitte pleisterlaag, die in de vorige eeuw was aangebracht, werd toen weer verwijderd, waardoor het oorspronkelijke metselwerk gelukkig weer tevoorschijn kwam. De hoofdingang aan de Naarderstraat werd weer afgesloten en de oostelijke muur blind gemaakt, mijns inziens door daar een nieuwe muur tegenaan te metselen, want je kunt de oude ingang in het metselwerk niet meer terug vinden.
Bij de restauratie van de toren in 1917 was de vroeger aanwezige toegang via de toren weer hersteld dus daar kon vanaf 1926 weer gebruik van worden gemaakt. Daardoor ontstond een unieke situatie, omdat de toren eigendom is van de burgerlijke gemeente. De kerkgangers konden dus vanaf 1926 slechts binnenkomen via de gemeentelijk toren. Op zijn beurt kan de gemeente slechts in de toren komen via de kerk. Er zit aan de zuidzijde van de toren namelijk een trapopgang, die uitkomt op het orgelbalkon. Van hieruit gezien zit er rechts naast het orgel een deur en die geeft toegang tot een smalle gemetselde trap. De beide eigenaren kunnen hun eigendom dus slechts bereiken via het gebouw van de ander. Deze situatie heeft nog nooit aanleiding gegeven tot tot problemen.
In 1926 werd er aan de lange noordgevel een consistorie bijgebouwd en een stookkelder. Een in twee delen gezaagd bord achter in de kerk herinnert aan de restauratie van 1926.

>>> terug

7. De restauratie van 1995/96.
De laatste grote restauratie van de kerk hebt u vermoedelijk bijna allemaal zien gebeuren; die vond plaats in 1995/96. Het bleek dat de houten kap ernstig was aangetast door de boktor en ingrijpen was noodzakelijk om verdere aantasting, die zou leiden tot instorting, te voorkomen. Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om de toch wel erg kleine consistorie te ontdoen van een daarin uitgespaard toilet en uit te breiden met een keukentje en twee nieuwe toiletten. De oorspronkelijke toegang aan de zuidkant van het kerkgebouw is weer aangebracht, niet om te dienen als toegang tot de kerk, maar om een nieuwe vluchtweg te creëren met gebruikmaking van de historische gegevens.

Ook de inrichting werd aangepast aan de eigentijdse vormen van liturgie en ander gebruik, zoals een avond als deze. Het aantal banken werd verminderd en een meer flexibele indeling werd verkregen door het bijplaatsen van losse stoelen. Ook het liturgisch meubilair werd vernieuwd.
De kerk is - evenals de toren - een rijksmonument, wat blijkt uit het blauwwitte schildje naast de toegangsdeur. De lengte van het schip is 20,40 meter, de breedte 6,90 meter. De muren zijn 40 cm dik. Het aantal zitplaatsen bedraagt maximaal 120.

>>> terug

8. Het interieur.
Wat binnenshuis opvalt is het eikenhouten tongewelf. Bij de restauratie in 1995/96 zijn vijf in hout gesneden ornamenten in de ontmoetingen van de gewelfribben herontdekt en weer zichtbaar gemaakt. Zij waren door vervuiling vrijwel onzichtbaar geworden. Er zijn dia's gemaakt van de gipsen afdrukken, die achter in de kerk in een vitrine liggen.
Boven de preekstoel zit het eerste rozet, waarop is afgebeeld de morgenster, een verwijzing naar Christus, de Morgenster. De morgenster komt in het oosten op en daarom staan de middeleeuwse kerken altijd met het koor op het oosten. Vaak zie je dan ook in het koor gebrandschilderde ramen met christelijke voorstellingen. De opkomende zon verlicht deze ramen en dat geeft natuurlijk een heel bijzonder effect. Jammer, dat het koor van deze kerk verdwenen is en daarmee een zeer kenmerkend en belangrijk onderdeel.
De tweede rozet laat een fijn uitgesneden Christuskop zien.
De derde stelt een halve maan voor, een verwijzing naar de Kerk van Christus. Evenals de maan draagt de Kerk zelf geen licht, maar zij geeft het licht van Christus, dat op haar schijnt, door.
In de vierde is het heilig hart uitgesneden, terwijl in de vijfde de zogenaamde "Armi Christi" te zien zijn: hamer en spijkers, waarmee Christus aan het kruis is genageld. Ook de ladder is duidelijk te zien.
Er is vermoedelijk nog een zesde rozet, maar daarop zit een plankje gespijkerd met daarop het jaartal 1662. Het zou dus kunnen zijn dat er een oorspronkelijk symbool onder zit. We hebben het bij de restauratie niet aangedurfd het jaartal eraf te halen, bang als we waren dat we meer kapot zouden maken dan verantwoord is. Het jaartal zou overigens kunnen slaan op het aanbrengen van het eikenhouten tongewelf, maar zeker is dat natuurlijk allerminst. Het zevende rozet heeft geen voorstelling en zit achter het orgel.

Preekstoel
De preekstoel stamt uit het eerste kwart van de 17e eeuw; hij is gemaakt van eikenhout, ingelegd met ebbenhout. Het is een zeshoekige kuip met ruiten op de panelen, en op de hoeken gecanneleerde pilasters met Ionische kapitelen. Deze pilasters rusten op sokkels met bloemmotief. De kroonlijst vertoont knorren en leeuwenkoppen, de onderlijst bloemen en een rand van knorren. De kuip gaat over in een driepoot, versierd met acanthusblad.
De ribben zijn versierd met snijwerk en eindigen in cherubkopjes. De muurbekleding bestaat uit een paneel met togen.
Jammer is dat bij een inbraak een aan de preekstoel bevestigd koperen doopbekken uit de 18e eeuw en een zandloperhouder uit de 17e eeuw zijn gestolen. Hetzelfde geldt voor de uit het eerste kwart van de 17e eeuw daterende koperen kansellezenaar. Daar is nu een nieuwe koperen lezenaar voor terug geplaatst.
Doophek
Het eikenhouten doophek is van 1672. De onderrand met blinde panelen wordt onderbroken door gecanneleerde pilasters met daarop een rij balusterzuiltjes. De kroonlijst heeft lopende knorren, ter hoogte van de pilasters afgewisseld met acanthusbladeren.

Herenbanken
De beide eenvoudige herenbanken, ter weerszijden van de preekstoel, stammen eveneens uit de zeventiende eeuw. De voorkant van de fries van de overkapping is voorzien van een schubmotief. Ook hier weer tussen de panelen gecanneleerde pilasters.
Predikantsborden
Hebben onze Rooms Katholieke zusters en broeders hun kerken versierd met heiligenbeelden, protestanten doen dat met andere heiligen, hun predikanten. Daarom ook in deze kerk twee predikantsborden. Het oudste bord, bevestigd tegen de zuidwand, is van beschilderd hout en wordt (overigens met een vraagteken) gedateerd in 1605. Bovenaan heeft het een schildering van Solomo's gerecht en het opschrift "Blarikum gescheyden van Huysen en gevoegt bij Laaren A? 1605". Dit slaat uiteraard op de Hervormde gemeenten.
Hervormd Laren en Blaricum zijn pas in 1942 weer van elkaar gescheiden. Uit het begin van de opsomming blijkt dat protestants Hilversum en Laren nog tot 1605 één predikant hadden: Stephanus Nicolaï, en dat klopt natuurlijk met het gegeven dat er in Laren geen of zeer weinig protestanten waren.
Het tweede predikantsbord, tegen de zuidwand, is geschilderd door jhr. A. E. van Humalda van Eysinga, die bij de restauratie van de kerk in 1926 een belangrijke rol speelde als secretaris-penningmeester van de Kerkvoogdij. De laatste predikant op dat bord is de bij velen van u bekende dominee J.F. Bennekers, die twee jaar geleden met emeritaat ging. Het college van beheer kan nog maar steeds geen afscheid van hem nemen, want de vertrekdatum is nog steeds niet ingevuld.

Kroonluchters
Slechts één van de messing kroonluchters is van oudere datum, waarschijnlijk uit de 17e eeuw.

Orgel
Het instrument is geplaatst op een speciaal balkon en in 1946-1947 vervaardigd door de fa Spanjaard. De firma Strubbe renoveerde het in 1981; in 1996 is dat opnieuw gedaan door de fa Boogaard. Het orgel is mechanisch en heeft 10 stemmen. De orgelkast is uitgevoerd in blank eiken.

>>> terug

9. Het Sint Jansbeeld.
Als je over beelden gaat praten in een protestantse kerk is het denk ik goed om even kort stil te staan bij de functie van beelden in de middeleeuwse kerk.
Het is vrijwel onmogelijk ons voor te stellen hoe de middeleeuwer leefde en dacht. Hij was verstoken van literatuur, alleen kloosterlingen en mensen uit hogere kringen kwamen in aanraking met handgeschreven teksten en met de miniaturen die deze teksten verluchten. Pas na de ontdekking van de houtsnede kwamen er langzamerhand mogelijkheden om het ongeletterde kerkvolk iets te laten zien om de bijbelse en heiligenverhalen te ondersteunen.
De enige plaatsen waar het volk afbeeldingen kon zien waren de kerken. Deze waren versierd met beelden, muurschilderringen en altaarretabels met voorstellingen. De retabels en houten beelden werden verguld en met bonte kleuren beschilderd (tegenwoordig polychromie genoemd), wat een geweldige indruk op de mensen moet hebben gemaakt, zeker als de voorstellingen werden aangelicht door brandende kaarsen.
De functie van de beelden en voorstellingen was het plastisch verbeelden van de belangrijkste leerstellingen van het geloof. Het mooi maken van de beelden en voorstellingen had uitsluitend ten doel om het heilige en verhevene te benadrukken. Zij waren voor de middeleeuwse mens dus van wezenlijk belang voor zijn devotie.

De parochie St. Jan/Goede Herder bezit een prachtig houten corpus, gedateerd op het einde van de 15e eeuw, in 1991 herontdekt door pastoor Vriend tijdens de restauratie van de kapel op het Sint Janskerkhof. Deskundigen vermoeden dat het beeld altijd in Laren aanwezig is geweest en heeft het in de middeleeuwse kapel op het kerkhof gehangen, of in deze kerk.

Omstreeks de overname van de kerk door de Reformatie moet het beeld in veiligheid zijn gebracht en is het, vermoedelijk via de schuilkerken, in de Waterstaatskerk terecht gekomen. Wellicht is bij de verbouw van deze kerk in 1882 in neogotische stijl het beeld overbodig geworden en verplaatst naar de in 1892 gebouwde open kapel op het Sint Janskerkhof. Doordat er vele lagen verf en witkalk op het beeld waren aangebracht, was het voor ondeskundigen niet duidelijk dat het hier om zo'n kostbaar en waardevol beeld ging. Het heeft nu weer een ereplaats gekregen in de basiliek en als u het nog niet kent moet u het zeker gaan bewonderen.
In 1954 werd ontdekt dat er nog een tweede houten beeld uit de late middeleeuwen in Laren aanwezig was.
Twee jaar geleden stond er in de Laarder Bel een wat onduidelijk verhaal over dat beeld - althans het restant daarvan - dat gevonden zou zijn bij de laatste restauratie van de kerk en nu in de kamer van de burgemeester staat. Nou, dat klopt in ieder geval niet. Het beeld is wel te zien in de kamer van de burgemeester, maar het is niet gevonden tijdens de laatste restauratie van 1995/1996. Als dat het geval zou zijn kan het beeld natuurlijk niet bij de burgerlijke gemeente zijn beland.
Het beeld is in 1954 gevonden tijdens een grote opknapbeurt van de toren. Het deed dienst als stutbalk of vloerbalk in de toren. Het is zeer ernstig verminkt, hetzij door moedwillige vernieling, hetzij door zeer onoordeelkundige behandeling. In 1960 is het gerestaureerd door Jac. Clavaux te den Haag. Ten behoeve van deze lezing mocht ik het, dank zij de vriendelijke medewerking van burgemeester Roest, even lenen en daardoor bent u allen nu getuige van een historische gebeurtenis: het beeld is weer terug in de kerk waar het ruim 400 jaar geleden moet hebben gestaan!
Volgens pastoor Vriend stelt het beeld niet Johannes de Doper voor, maar wellicht Johannes de Evangelist en hij wordt in die gedachte gesteund door burgemeester Roest, die van huis uit cultuurhistoricus is. Ook Agnes de Rijk, die in 1995 in het Bulletin van de Stichting Oude Hollandse kerken een artikel schreef over laatmiddeleeuwse heiligenbeelden uit het Gooi beschrijft het beeld als "Heilige Johannes de Evangelist, Gelders, ca 1430. Eikenhout met resten polychromie".
Ik heb van burgemeester Roest begrepen dat de gemeente Laren het beeld wil laten opknappen c.q. restaureren en dan ligt een gedegen historisch onderzoek natuurlijk voor de hand.

Hoe goed bedoeld ook, de burgemeesterskamer is niet de goede plek voor dit houten beeld; het is daar veel te droog en daar lijdt het duidelijk onder. Er zijn flinke barsten ontstaan en je kunt je afvragen of dat op den duur niet leidt tot uiteenvallen.
Hopelijk kan het beeld spoedig het gemeenthuis verlaten en een zodanige plek krijgen dat veel Laarders in staat zijn er kennis van te nemen en daarmee van een stukje geschiedenis, dat in de 16e eeuw zeer ingrijpende gevolgen had voor het dorp en de geloofsgemeenschap. Voorwaarde voor een andere plek is dus wel dat de klimatologische omstandigheden zodanig zijn dat verval wordt voorkomen.

>>> terug

10. Toren
De Toren is even oud als de kerk, maar is sinds de Franse tijd eigendom van de gemeente Laren. Dat vindt zijn oorzaak in een decreet van keizer Napoleon, waardoor veel kerktorens in handen kwamen van de burgerlijke overheid. Napoleon had te torens nodig voor de berichtgeving tussen de verschillende legeronderdelen en wilde niet afhankelijk zijn van de hem vaak niet welgezinde kerkbesturen.
De toren is opgebouwd uit 3 geledingen, waarvan de bovenste achtzijdig is. De bogen, die de toren sieren, hebben eenvoudige traceringen. In 1917, is de toren gerestaureerd. Dat gebeurde 11 jaar later opnieuw, althans volgens een gegeven van de gemeente Laren.
De hoogte is (inclusief spits) 33 meter. Helaas is de oude luidklok uit 1656 in 1943 uit de toren geroofd.
In augustus 1948 werd er een nieuwe geplaatst door de firma Petit en Fritsen. De toonhoogte werd afgestemd op de toen ook nieuwe klokken van de Sint Jansbasiliek. De klok weegt 434 kg.

>>> terug

11. Carillon
Het carillon in de toren is in 1966 door een lid van de Hervormde gemeente, Susanne Fokkens, geschonken aan de burgerlijke gemeente Laren. Eerst wilde zij het carillon plaatsen bij haar huis, maar anderen wisten haar ervan te overtuigen dat de toren toch een veel betere plaats zou zijn en gelukkig besloot zij daartoe. Eén van de klokken heet Susanne.
Aanvankelijk had het carillon een omvang van 3½ octaaf. In 1970 werd het uitgebreid tot 4 octaven, waardoor het mogelijk werd praktisch alle beiaardliteratuur op dit carillon uit te voeren.
In totaal zijn er 47 klokken met een totaal gewicht van 2500 kg. Het carillon is gemaakt door de firma Eijsbouts uit Asten. De luidklok doet tevens dienst als basisklok van het carillon en als slagklok voor het hele en halve uur.
In 1996 en 2001 is het carillon gerenoveerd en in 2001 voorzien van computersturing. Het carillon wordt sinds 1993 beheerd door de stichting "Vrienden van de Larense Beiaard", die de bekende zomerconcerten verzorgt en sinds een paar jaar ook meewerkt aan de kerstavonddiensten van de SOW-gemeente. De beiaardier hoog in de toren speelt dan samen met de organist in de kerk.

>>> terug

12. Begraafplaats en grafzerken.
Er is mij door een ooggetuige gemeld dat er in 1926 bij graafwerkzaamheden voor de nieuwe consistorie en stookkelder menselijke botten zijn gevonden. Dat schijnt ook gebeurd te zijn bij de bouw van het vroegere Groene Kruisgebouw, ten zuidwesten van de kerk. Ook op 27 maart 1997 meldde de Bel dat er bij rioleringswerkzaamheden in de Bij den Toren menselijke botten en schedels zijn gevonden. Deze zijn herbegraven op de algemene begraafplaats.
Deze gegevens zijn toch wel aanleiding tot de vraag of er ooit een begraafplaats bij de kerk is geweest, zoals bijvoorbeeld in Blaricum. Toch heb ik sterke twijfels, omdat uit alle overleveringen blijkt dat er altijd begraven is op het Sint Janskerkhof.
Maar hoe zijn dan de menselijke resten terechtgekomen nabij de kerk? Is er misschien een korte periode geweest dat Protestanten niet op het Sint Janskerkhof mochten worden begraven?
Bij de laatste restauratie hebben wij onder de kerkvloer geen menselijke resten of grafresten gevonden, zodat we gevoegelijk kunnen aannemen dat er in de kerk niet begraven is. In de torenvloer liggen enkele zerken, die aangemerkt zouden kunnen worden als grafzerken, maar ik denk dat die er later - wellicht in 1917 of 1926 - pas zijn ingelegd.

>>> terug

13. Huidig gebruik van de kerk
De kerk is een van de twee gebouwen, waarover de SOW-gemeente Laren, Blaricum, Eemnes beschikt. De hoofddiensten vinden op zondagmorgen plaats in de Gereformeerde kerk aan de Kerklaan, met uitzondering van de zomervakantie.
In deze kerk worden, naast de diensten in de zomervakantie, speciale diensten gehouden en maandelijks de oecumenische vesper. Verder zijn er trouw- en rouwdiensten en wordt de kerk regelmatig gebruikt voor lezingen en concerten. Daarnaast is de kerk open op de koopavonden in de zomermaanden als stiltecentrum.

>>> terug

14. Tenslotte.
Dames en heren, ik sluit af. U hebt inmiddels begrepen dat er nogal wat hiaten bestaan in de historie van deze kerk en dat er zeker geen sluitende geschiedenis valt te vertellen.
Er zijn een aantal zaken die nader onderzoek vereisen en ik hoop dat de Historische kring het initiatief wil nemen om de nog open staande vragen beantwoord te krijgen.
Ik dank degenen die mij hebben geholpen bij het voorbereiden van deze lezing, burgemeester Roest, pastoor Vriend voor zijn waardevolle adviezen, de heren de Boer en Strating van de Historische Kring voor het beschikbaar stellen van oude foto's en de heer Hess, die de dia's maakte.
Ik dank u voor uw aandacht.

Februari 2003.

 
         



 

  Agenda        Home         Actueel